Fouten in tekst: vergeeft je lezer je?

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

TypefoutHet liefst schrijf ik perfecte teksten. Foutloos. Maar ook ik maak regelmatig fouten. Ik maak even snel iets af, en dan, hup, de digitale brievenbus uit. Niet veel later valt mijn blik precies op dat vergeten woord of die letter die daar niet moet staan. Zijn die fouten onvergefelijk?

Wat is eigenlijk een perfecte tekst? Natuurlijk is dat een tekst zonder fouten. Maar een perfecte tekst is meer dan dat. Een perfecte tekst brengt precies die boodschap bij je lezer over die jij in gedachten had toen je hem schreef. Is dat voor elke lezer gelijk? Waarschijnlijk niet.

Dat brengt me op de vraag: ‘wat is fout’? Is het woord ‘beeetje’ fout, omdat ik één keer te veel de letter ‘e’ aansloeg? Ja, feitelijk gezien wel. Maar neemt mijn lezer me dat kwalijk?

Er zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar het effect van spelfouten. Een mooi overzicht daarvan geeft Floortje Westerbrugen in haar artikel op Tekstblog. De resultaten geven geen eenduidig antwoord op de vraag welk effect spelfouten hebben op teksten.

Kort samengevat laten Kloet, Renkema en Van Wijk zien dat taalfouten vooral invloed hebben op de begrijpelijkheid van de tekst. Maar uit onderzoek van Yvonne Harm (2008) blijkt dat taalfouten ook een negatief effect hebben op de geloofwaardigheid van de zender en de tekst.

Effect van fouten in direct-mails

Interessant is het onderzoek van Jansen (Onze Taal, 2010) naar het effect van fouten in spelling, zinsbouw en woordvormen in direct-mails. Daaruit bleek dat de zinsbouwfouten (‘de meisje’ bijvoorbeeld) een veel zwaarder negatief oordeel met zich meebrachten dan de spelfouten.

Bij vervolgonderzoek van Jansen werden alleen d/t-fouten opgenomen. Toen bleek de helft van de (hoogopgeleide) proefpersonen, de fouten niet eens op te merken! En de andere helft die de fouten wel zag, gaf geen negatiever oordeel dan de personen die de spelfouten niet hadden gezien….

Jansen besluit zijn betoog overigens wel met de opmerking dat een direct-mailing niet te vergelijken is met een sollicitatiebrief: deze worden op een andere manier gelezen.

Hoe komt het eigenlijk dat we spel- en typefouten niet altijd zien? Ook psychologen onderzoeken leesgedrag. Uit onderzoek van Frisby (1979) blijkt dat lezers meer kijken naar woordbeeld dan naar de afzonderlijke letters van een woord. Kinderen die leren lezen, lezen elke letter: v – i – s en daarna maken ze er een woord van: ‘vis’.

Als je eenmaal kunt lezen, heb je niet meer alle letters van een woord nodig om het te kunnen herkennen. Dan springen je ogen van tekstblok naar tekstblok.

Kijk maar eens naar de onderstaande zinnen:

In Afrika leefde een olxfxnt die Elmo heette. Elke dag stond hij op om met de
een gxrxffe te ontbjiten in het grotedierenbos.

Waarschijnlijk kostte het je geen enkele moeite om de bovenstaande tekst te lezen. De x’en in olifant en giraffe vulden je hersenen als vanzelf aan. Heb je ook gezien dat in het woord ‘ontbijten’ de ‘i’ en de ‘j’ waren omgedraaid? En dat er voor giraffe ‘een’ te veel stond?

Hersenen zijn getraind om fouten in woorden te herstellen

Vergeten letters, te veel woorden, omgedraaide letters: je hersenen zijn erin getraind om er een samenhangend geheel van te maken. Soms ben je je daar bewust van, maar vaak ook niet. Dan lees je dus over een typefout heen. Vooral bij langere teksten, waar je meer wordt ‘afgeleid’ door de inhoud en andere woorden, is de kans groter dat je een typefout over het hoofd ziet.

Fouten zijn niet om trots op te zijn. Maar om te leren, moet je ook fouten (mogen) maken. Zo heb ik onlangs weer geleerd dat ik niet zo arrogant moet zijn dat ik mijn eigen ebook kan redigeren. Daarvoor moet ik ook eerst een ander paar ogen de tekst laten nakijken. Bij typefouten als ‘beeetje’ doet de spellingcontrole overigens ook wonderen.

Er ligt zelfs een gevaar op de loer als je altijd perfecte en foutloze teksten wilt schrijven. De kans is aanwezig dat je er zo veel tijd mee bezig bent, dat die tijd niet opweegt tegen de baat. Of dat de tekst uiteindelijk nooit wordt gepubliceerd. En dat is het ergste wat er met tekst kan gebeuren: geschreven om niet gelezen te worden.

Schrijven en discipline: waarom het soms zo moeilijk is

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Schrijven kost soms zo veel moeite. Net als ‘afvallen’ en ‘stoppen met roken’ (vertellen anderen mij). Zonder discipline red je het niet. Ik moest eraan denken toen ik het onderstaande bericht via Twitter las:

Beste Sint,

Mijn wens voor dit jaar is een dikke vette bankrekening en een slank lichaam.

Het zou fijn zijn als u deze twee niét door elkaar zou halen, zoals vorig jaar. Dank u wel!

 

Het einde van het jaar nodigt uit om na te denken over goede voornemens. Wat wil jij? Afvallen, stoppen met roken of drinken? Of misschien vaker schrijven?

 

Uit psychologisch overkoepelend onderzoek van Prochaska en Norcross komt (vrij vertaald) naar voren dat een wens (tot verandering) niet voldoende is om te komen tot een resultaat. Dit onderzoek ging over mate van succes in therapie. Daar is de wens tot verandering het begin van ander gedrag. Dat is zeker breder te vertalen: je doet nu iets niet wat je wel zou willen doen. Maar alleen het voornemen om meer te schrijven, is niet genoeg, daar is actie (en discipline) voor nodig.

 

 

Stel, je neemt jezelf voor om elke maand een (blog)artikel te schrijven. Niemand die je dat vraagt. Je gaat ervan uit dat het je iets oplevert: naamsbekendheid, scherpte in je denken, klanten misschien. Hoe zorg je ervoor dat je werkelijk elke maand een artikel schrijft? Hoe breng je die discipline op?

 

Waarom werken de standaardadviezen niet? 

Een veelgehoord advies is het tastbaar maken van je plan: Specifiek Meetbaar Aantrekkelijk Reëel en Tijdgebonden (SMART) dus. Bijvoorbeeld: “Ik ga elke woensdag van 9.00 tot 11.00 uur werken aan mijn artikel. Als dat lukt, mag ik van mezelf een superdeluxe broodje halen bij de broodjeszaak om de hoek (voor mij een aantrekkelijke beloning).”

 

Maar zelfs met een SMART plan, zijn er genoeg redenen waarom het toch niet lukt. Want er zijn klanten die voorrang vragen (en die brengen direct geld in het laadje). Of je weet niet precies hoe je het moet aanpakken. Of het kost meer tijd dan je dacht. En er zitten maar 168 uur in een week.

 

Jaldhara Groeneveld schreef in een van haar blogposts over discipline door motivatie. Dat gaat over mensen die aarzelen of een online training wel iets voor ze is. Maar de handvatten die ze biedt om te achterhalen of je iets écht wilt, gelden volgens mij voor elke keuze.

 

Als je met de vragen van Jaldhara tot de conclusie bent gekomen dat je bijvoorbeeld echt elke maand een artikel wilt schrijven, kunnen de volgende tips je misschien ook nog helpen om je voornemen tot een succes te maken:

 

1.         Vertel anderen over je voornemen. Het hardop uitspreken van je voornemen helpt bij het creëren van draagkracht in je omgeving. Hardop uitspreken kan ook betekenen dat het voornemen voor jezelf echt wordt. Onder ‘vertellen’ kun je ook ‘schrijven’ verstaan: schrijf zo specifiek mogelijk op wat je in 2012 wilt schrijven en wat het je oplevert als je dat doet.

 

2.         Wacht niet op inspiratie. Begin gewoon. Kies een vast moment in de week om te schrijven. Misschien kan mijn artikel Wat te doen bij gebrek aan inspiratie  je ook helpen.

 

3.         Vraag hulp. Je hoeft het echt niet allemaal alleen te doen. Hulp kan er zijn in de vorm van een collega(-ondernemer) of een vriend die je teksten leest. Of een schrijfbuddy die ook het voornemen heeft elke maand te schrijven. Hulp vragen kan ook betekenen dat je je opgeeft voor een training of workshop, zodat je in een groep kunt leren. En die direct een mooie stok achter de deur vormt.

 

En jij? Waar haal jij de discipline vandaan om te schrijven? Ik lees je ervaringen graag. Daarvoor kun je hieronder een reactie achterlaten.

 

© Suzanne Meijles

 

Mijn eerste nieuwsbrief: hoe het was om die te versturen

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Achter de schermen heb ik de laatste tijd hard gewerkt aan het nieuwsbriefevent dat ik op 20 januari 2012 samen met Welmoet Babeliowsky organiseer. En vanaf vandaag kun je er van alles over lezen. En je kunt je nu ook aanmelden voor het event op de site die we speciaal voor dit event maakten: www.nieuwsbriefevent.nl.

We hebben samen het onderstaande filmpje opgenomen. Ik was wat nerveus bij het opnemen ervan, dat zul je wel zien. Maar het gaat natuurlijk om de inhoud!

Met Welmoet sprak ik af dat we allebei een extra nieuwsbrief naar onze abonnees zouden sturen over onze ervaringen met eerste nieuwsbrieven. Zij verstuurde die van haar met een openhartig verhaal over haar tweede nieuwsbrief, en waarom die ze veel moeilijker vond dan de eerste.

 

Mijn eerste nieuwsbrief

In deze blog vertel ik je graag over mijn eerste nieuwsbrief. Ik hoop je ermee te inspireren en om misschien de stap te wagen die ik ooit ook nam (en die mij veel heeft opgeleverd).

 

Bijna vier jaar geleden stuurde ik ongeveer twee keer per jaar een mail naar wat klanten met een aanbod van korte workshops. Vanuit Outlook kon dat nog, want ik verstuurde niet meer dan 50 uitnodigingen. Meer dan 2x per jaar durfde ik mijn aanbod niet neer te leggen, uit angst om te opdringerig te zijn.

 

In april 2008 viel bij mij het kwartje. Op een marketingcursus van Laura Babeliowsky (inderdaad, de zus van Welmoet) leerde ik hoe je een nieuwsbrief kon schrijven zonder je op te dringen. De sleutel ligt in de waarde van de nieuwsbrief, bijvoorbeeld in de vorm van een artikel.

 

Nou was schrijven iets wat ik als kind al graag deed, maar artikelen schrijven had ik vrijwel nog nooit gedaan. Hooguit een paper voor mijn studie. Wat had ik te vertellen?

 

Toch besloot ik in mei 2008 een heel korte nieuwsbrief te schrijven over een toepasselijk onderwerp: hoe breng je je gedachten onder woorden?

 

Ik deed er ongeveer één hele dag over om de nieuwsbrief te schrijven. En toen was ik ook nog twee dagen bezig met de techniek, gepaard met veel frustratie. Maar toen verstuurde ik hem, met zweet in mijn handen. Het liefst had ik mijn computer afgesloten en hem nooit meer gestart. Zo bang was ik.

 

Maar ik was ook nieuwsgierig. En na 10 minuten kwamen de eerste reacties. Ik heb ze bewaard. Hieronder lees je een paar fragmenten:

Hoi Suzanne, bedankt voor de goede tips!!!

Dank je wel voor je nieuwsbrief. Leuk te lezen!

Dank voor dit leuke artikel, ik ga het bewaren.

 

Deze reacties zorgden ervoor dat ik de maand erop weer een mail durfde te sturen en de maand erop weer. Telkens kwamen er aardige, vriendelijke reacties. En af en toe ook een vervelende (“Wie denk jij wel dat je bent om te zeggen dat ….” bijvoorbeeld). Die gooide ik dan gewoon weg.

 

En ik bleef schrijven, vrijwel elke maand sinds mei 2008. Het is een mooie manier om niet alleen onder de aandacht te blijven, maar ook om je kennis te delen en daarmee klanten aan te trekken.

 

Nu denk je misschien dat schrijven mijn vak is en daarom misschien beter bij mij past dan bij jou. Maar ook in mijn trainingen zie ik dat mensen met heel andere vakgebieden heel nuttige en waardevolle informatie delen in hun nieuwsbrief. Daarmee trekken ze ook veel klanten aan. Ze zitten nooit zonder werk, zelfs niet in deze tijden van economische tegenwind.

 

Wil je ook een vliegende (door)start maken in 2012 met jouw nieuwsbrief? Kijk dan snel op www.nieuwsbriefevent.nl en meld je snel aan.

 

Wervende tekst: welk intro werkt?

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

intro-wervende-tekstDe eerste alinea, de intro van een wervende tekst. Daar struikelen veel schrijvers over. Want als je het daar niet goed doet, dan leest niemand de rest van je tekst. Dus: welk intro van een wervende tekst werkt?

Sla een willekeurig boek over copywriting open, het liefst Amerikaans, en je leest: start je intro met het benoemen van het probleem van je doelgroep. Want als je lezer dat herkent, dan leest hij zeker door.

 

Maar om in een wervende tekst nou met het probleem in huis te vallen… Dat zit veel schrijvers ook niet lekker. Misschien word je wel geassocieerd met dat negatieve. En dat wil je niet. Zeker niet als je, bijvoorbeeld als coach, de drempel voor je potentiële klanten wilt verlagen.

 

En laatst wees een cursist van me er fijntjes op dat “Nespresso zijn koffie niet aan de man bracht door te verwijzen naar het probleem van slechte koffie”.

 

Om te weten hoe je een wervende tekst begint, moet je weten welke functie de eerste alinea heeft. Je intro is erop gericht de aandacht van je lezer te trekken. Je wilt dat je lezer aanhaakt.

In de literatuur worden twee tekststructuren onderscheiden voor wervende teksten.

De eerste tekststructuur is de probleem–oplossingstructuur: je begint je intro met het schetsen van het probleem en in de rest van de tekst werk je toe naar een oplossing: jouw dienst of product.

probleemBijvoorbeeld:
Probleem: schoonmaken is vervelend werk en kost veel tijd.
Oplossing: huur een schoonmaakster in.

 

De tweede structuur heet de doel–middelstructuur. Binnen deze wervende structuur begin je een intro met het beschrijven van een behoefte, een aantrekkelijk toekomstbeeld. Deze koppel je in de rest van de tekst aan het middel dat nodig is om in die behoefte te voorzien: jouw dienst of product dus.

Bijvoorbeeld:
Doel: een schoon huis zonder dat het je veel tijd kost
Middel: huur een schoonmaakster in.

Maar welke wervende structuur werkt nu het beste? Natuurlijk spelen verschillende aspecten een rol. De rol van het soort product of dienst blijkt invloed te hebben. Rossiter en Percy formuleerden twee motieven waarom mensen bepaalde producten kopen.

 

Het eerste motief noemden zij het informationele motief om een product aan te schaffen. Die producten zijn erop gericht een onwenselijke situatie weg te nemen. Pijnstillers zijn hiervan misschien wel het meest aansprekende voorbeeld. Maar het geldt ook voor het volgen van een marketingtraining. Want als je een training volgt, weet je hoe marketing werkt. En kun je je neergaande winst (het probleem) tegengaan.

Bij producten die een onwenselijke situatie wegnemen werkt de probleem-oplossingstructuur waarschijnlijk het beste.

 

Daarnaast noemen Rossiter en Percy transformationele motieven voor producten die het leven aangenamer maken. Dit zijn vaak ‘extra’s’: de chocola bij het kopje thee, bijvoorbeeld. Of theaterbezoek op zaterdagavond. En ook het kopje koffie van Nespresso valt volgens mij onder deze categorie. Vieze koffie is geen echt probleem, hooguit een ongemakkelijkheid. Lekkere koffie maakt het leven aangenamer.

Bij deze producten heeft de doel-middelstructuur meer kans van slagen.

 

Je kunt het ook vergelijken met het pleasure-painprincipe: mensen willen hun probleem oplossen of hun plezier vergroten. Wat doe jij met jouw dienst of product? Los je een probleem op? Of bied je iets wat het leven aangenamer maakt? Als je dat weet, kun je je een ontwerp maken voor je wervende tekst.

Je hoeft overigens niet te raden naar het motief van je klant. Als je het niet precies weet, vraag het dan aan je (potentiële) klant. Misschien helpt hij of zij je op die manier wel aan de juiste woorden voor een intro van je wervende tekst!

Hoe schrijf je een goede aanbeveling voor Linkedin?

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Aanbeveling LinkedInInmiddels hebben in Nederland 2,6 miljoen mensen een Linkedin-account, dat is 15% van de Nederlandse bevolking (via infographic) . En iedereen met een Linkedin-profiel weet dat drie aanbevelingen je kunnen brengen tot een 100% profiel. Daar herinnert Linkedin je elke keer aan als je inlogt.

Dus soms word je gevraagd om een aanbeveling te schrijven. Maar soms ook wil je een aanbeveling cadeau geven. Gewoon, omdat je het die ander gunt. In dit artikel lees je hoe je snel een goede aanbeveling voor Linkedin schrijft.

Voordat je een aanbeveling gaat schrijven, bedenk dan waarom je dat doet. Wat is je doel? Een aanbeveling kan iemand helpen, maar de tekst die jij schrijft is daarbij wel bepalend.

Een vriendelijke aanbeveling heeft de volgende strekking: “Natascha is een erg leuke collega om mee te werken. Ze is collegiaal en vriendelijk en is altijd bereid om me te helpen.”

Aardig, maar niet echt heel behulpzaam als Natascha op zoek is naar een andere baan.

Een aanbeveling schrijf je omdat je oprecht tevreden bent over een dienst die de ander heeft geleverd. Of omdat je de andere bewondert om iets wat hij of zij heeft gedaan. Schrijf je aanbeveling vanuit je hart.

Een goede aanbeveling bestaat uit de volgende elementen:

  1. beschrijf de aanleiding: waarom deze aanbeveling? Je kunt hier ook de link leggen met je eigen dienst / product. Aanbevelingen worden goed gelezen dus ook hier heb je de kans om ook jezelf te profileren.
  2. beschrijf de dienst / het product  waar de aanbeveling over gaat.
  3. beschrijf je eventuele aarzelingen vooraf en hoe de ander daarin tegemoet is gekomen.
  4. beschrijf wat je het meest waardeerde aan de ander toen hij je hielp.
  5. beschrijf wat de dienst / het product je heeft opgeleverd. Welke (blijvende) resultaten ervaar je?
Een goede aanbeveling kan er dan bijvoorbeeld als volgt uitzien:

Ik heb Gerda ingehuurd toen ik niet meer wist welke carrièrestap ik wilde maken. Ik was net moeder geworden en twijfelde eraan of ik wel als advocaat kon blijven werken. (1) Daarnaast had ik ook nog een sociaal leven waar ik nauwelijks nog tijd voor had. Tijd dus om de stap te nemen om met iemand die iets verder van me afstond te kijken naar mijn leven, mijn wensen en ambities. (2)

Ik vond het wel lastig om een goede loopbaancoach te kiezen, want er is erg veel aanbod. Mijn keus viel op Gerda omdat zij ook een collega-advocate goed op weg had geholpen. (3)

In het traject dat ik bij Gerda volgde, stelde ze me telkens de juiste vragen. Ze is nuchter, praktisch en respectvol in haar aanpak. Niet zo zweverig als ik eigenlijk verwachtte. Bovendien had ze aandacht voor mij als mens: niet alleen op werkgebied maar ook privé.(4)

Mede door Gerda heb ik ontdekt dat ik het werk doe wat me past als een jas. Ik hoef geen stap terug te doen nu ik moeder ben. In samenspraak met het MT heb ik besloten om voor mijn carrièrestap naar partner iets meer tijd te nemen. Het traject heeft me veel rust gegeven en focus op mijn volgende stap. (5)

Iedereen die worstelt met een loopbaanvraagstuk adviseer ik daarom Gerda in te schakelen.”

Je ziet dat zo’n aanbeveling wel langer is, maar waarschijnlijk ook veel relevanter voor Gerda. Als Gerda er nu voor kiest direct een aanbeveling voor jou te schrijven, komt dat minder geloofwaardig over. Als je dus iemand een ‘recommendation’ wilt retourneren, wacht daar dan een paar weken of maanden mee. Ook als Linkedin suggereert het direct te doen.

Nog een laatste tip: je hoeft niet altijd te wachten totdat iemand je vraagt om een aanbeveling. Het is misschien een van de leukste cadeautjes die je iemand kan doen: per mail een aankondiging dat iemand je heeft aanbevolen.

© Suzanne Meijles

Wat zijn jouw ervaringen met aanbevelingen? Ik lees ze graag hieronder! Laat je een reactie achter?

Hoe je cijfers inzet om te overtuigen

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Als in een training cijfers in wervende teksten ter sprake komt, komt ook meestal De Vraag: wanneer schrijf je een getal als een woord en wanneer als een cijfer?


Maar ik wil het niet hebben over regels. Wel over hoe je cijfers gebruikt in je overtuigende tekst. Want cijfers zijn niet altijd even overtuigend. In dit artikel lees je hoe je cijfers inzet om te overtuigen in tekst.
Cijfers lijken overtuigend. Zeker als ze “uit onderzoek” afkomstig zijn. Die cijfers doen een claim op de autoriteit, als bron.

Als uit onderzoek is gebleken dat 95% van de ondervraagden tevreden is over een dienst of product, overtuigt dat veel potentiele kopers. Het is een truc die door reclamemakers veel wordt toegepast.

Ik schrijf “truc”, want veel cijfers, zeker in de reclamewereld, zijn niet uit wetenschappelijk onderzoek. De grootte van de steekproef wordt zo groot vermeld, dat je er een bril voor moet aanschaffen (omdat ze in zulke kleine lettertjes geschreven dat geen enkel normaal mens zonder 78 inch tv die letters kan lezen). Dan deden er bijvoorbeeld maar 10 mensen mee.

En daar is niets wetenschappelijks aan, want dan heeft een resultaat pas echt iets te vertellen als de steekproef (veel) groter was, bij voorkeur 100 proefpersonen (of meer).

 

Maar wanneer zijn cijfers niet overtuigend? Daar is (wetenschappelijk) onderzoek naar gedaan. Echt waar! En dan met name naar het verschil in overtuigingskracht tussen verhalen (anekdotes) en cijfers (statistieken).

 

En wat bleek? Het verhaal was veel overtuigender dan de zuivere statistieken. Want cijfers zijn ook vaak saai, droog en grijs. Je kunt je er maar weinig bij voorstellen. Nisbett en Ross noemden dat in hun onderzoek het gebrek aan levendigheidseffect.

 

Het klinkt logisch, dat een verhaal meer tot de verbeelding spreekt dan cijfers op zich. Maar wat gebeurt er als argumenten in zowel het verhaal als in de cijfers vergelijkbaar levendig zijn beschreven?

 

Hoeken en Van Wijk lieten in 1997 zien dat de bewijsvoering met cijfers overtuigender was als deze even concreet was beschreven als de verhalende bewijsvoering.

 

Zij beschreven bijvoorbeeld in de eerste, puur verhalende tekst de ervaringen van een mevrouw bij wie was ingebroken. In het verhaal kwamen geen cijfers voor, maar wel de gevolgen die de inbraak bij mevrouw hadden gehad. Bijvoorbeeld: “Ze schrikt regelmatig midden in de nacht wakker in de vaste overtuiging dat er inbrekers in huis zijn.’

 

In de beschrijving met getallen, beschreven Hoeken en Van Wijk dat er een enquete was geweest onder 2087 mensen bij wie was ingebroken. Een van de gevolgen was als volgt beschreven: “64% schrikt regelmatig midden in de nacht wakker in de vaste overtuiging dat er inbrekers in huis zijn.”

 

Kort gezegd zorgt een anekdote ervoor dat lezers zich goed kunnen voorstellen wat de gevolgen voor 1 persoon zijn. Maar cijfers geven meer informatie over hoe algemeen de problematiek is. Die plaatsen het probleem in perspectief.

 

Hoe kun je deze gegevens nu verwerken in jouw wervende tekst? Je kunt beide vormen

combineren. Op je website geef je bijvoorbeeld op de pagina klanten allereerst aan hoeveel mensen je de afgelopen jaren hebt geholpen. In de sociale psychologie is dit verschijnsel ook wel bekend als ‘sociale bewijskracht’ (psycholoog Cialdini noemt het ‘social proof’).

 

Dit hopelijk grote getal zegt iets over de algemeenheid: er zijn veel mensen die iets willen doen aan de problemen die ze ondervinden. Daaronder kun je een aantal testimonials (lees: verhalen, anekdotes) plaatsen van individuen die hun verhaal vertellen over hoe jouw dienst hen heeft geholpen.

 

Heb je geen grote getallen te melden? Ga ze dan niet verzinnen. Weet dat het verhaal van een persoon ook zeer overtuigend kan zijn. Zeker als een lezer zich in de omschrijving van de testimonial of casus herkent.

 

Een andere manier om cijfers op een overtuigende, prikkelende manier te gebruiken, is beschreven voor De Jong en Burger. In hun Handboek Stijl geven zij aan dat je een artikel bijvoorbeeld kunt openen met schokkende cijfers. Op deze manier prikkel je je lezer de rest van je artikel ook te lezen.

 

In krantenartikelen vind je regelmatig openingen met schokkende cijfers. In NRC van afgelopen weekend vond ik bijvoorbeeld de volgende opening bij een artikel van Karel Knip: “De gierzwaluw vliegt negen maanden per jaar, zonder landen. Hij wordt steeds populairder, maar het aantal neemt snel af.”

 

De moraal van dit artikel: cijfers kunnen zeer overtuigend zijn. Maar ze zijn extra krachtig

als je ervoor zorgt dat ze levendig zijn beschreven. Dan kan je lezer zich er meer bij voorstellen en zal hij je tekst ook beter onthouden.

 

© Suzanne Meijles

Wat vind je van dit artikel? Ik lees het graag! Laat hieronder je reactie achter.

 

Wanneer schrijf je een getal in cijfers en wanneer in letters?

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Wanneer schrijf je een getal in cijfers en wanneer in letters?

De regels op een rij:

In lopende zinnen schrijf je de volgende getallen voluit:

  • 1 tot 20
  • tientallen
  • honderdtallen
  • duizendtallen
  • Je schrijft getallen als cijfers als je schrijft over eenheden.
    Eenheden zijn bijvoorbeeld kilo’s, euro’s en (centi)meters.

     

    Voorbeelden

    Je schrijft bijvoorbeeld:

    “Ze heeft vier kinderen gekregen.”
    “Tweehonderd mensen bezochten onze stand.”
    “Van de dertien aanwezigen, meldden zich er drie af.”

    Maar

    “Ze liep 4 kilometer om thuis te komen.”
    “Onze kat woog 8 kilo.”
    “De lucht wordt 15 meter bovendaks uitgeblazen.”

    Wij of ik op je website?

    Gepubliceerd door Suzanne Meijles

    Mijn eerste website liet ik 10 jaar geleden bouwen. Vier pagina’s lang vertelde ik over wat ik te bieden had. In de wij-vorm, want  ik was bang dat geen enkele opdrachtgever me serieus zou nemen. Ik zie dat bij meer zelfstandig ondernemers: uit angst om klein te zijn, gebruiken ze liever “wij” dan “ik” op de website. Is dat nu verstandig?

    Tsja, wat is verstandig? Misschien is het wel verstandig om gewoon je eigen plan te trekken en niet te veel te luisteren naar de zelfbenoemde experts ;-) . Ik zal je vertellen wat er bij mij gebeurde.

    Soms mocht ik via-via op gesprek komen bij een potentiële klant. Nooit rechtstreeks via mijn website, maar dat terzijde. Steevast kwam mijn website dan ter sprake. En ook de vraag met hoeveel mensen ProTaal was. Ik ging dan wat rechterop zitten en zei: “Ik werk alleen.” En voegde er daarna snel aan toe “Maar ik werk wel veel samen met andere mensen uit mijn netwerk.”

    Maar elke keer voelde het als een nederlaag. Ik gebruikte “wij” op mijn website omdat ik dacht dat ik er serieuzer door gezien zou worden. Maar het tegendeel leek waar …

    Als mijn cursisten twijfelen tussen “wij” en “ik”, dan vraag ik: met hoeveel mensen zijn jullie? Als je voor jezelf werkt, is het prima om daarvoor uit te komen op je website.

    Het geeft potentiële opdrachtgevers ook de mogelijkheid om zich daarvoor vooraf al een mening te vormen. Willen zij zaken doen met een grote partij? Of juist met een zelfstandige, met andere voordelen?

    Maar als je een bedrijf hebt waar je met meer mensen werkt, dan schrijf je gewoon “wij”, lijkt me. Laatst volgde ook iemand bij mij een training die zei: “Nu ben ik nog alleen, maar ik wil zeker niet alleen blijven. Het gebruik van “wij” op mijn website is alvast een voorschot daarop.”

    Bedenk wel dat je website eigenlijk niet te veel moet gaan over “ik” of “wij”. De meeste bezoekers van websites zijn vooral geïnteresseerd in zichzelf. Je kunt dus beter vaker je lezer aanspreken met je of u. “Wij bieden een 100% garantie” wordt dan “Je ontvangt een 100% garantie”.

    Transparantie op je website werkt volgens mij in je voordeel. Dat geldt ook voor het gebruik van ‘ik’ of ‘wij’. Je geïnteresseerde bezoekers willen dan waarschijnlijk ook weten wie die ‘ik’ dan is (of wie die wij zijn).

    Neem dan ook altijd een pagina over jezelf (of de medewerkers van je bedrijf) op, het liefst met een herkenbare foto. Dan weet je bezoeker wie hij aan de telefoon krijgt als hij je gaat bellen voor een kennismakingsafspraak.

    (c) Suzanne Meijles

    Je of u op je website?

    Gepubliceerd door Suzanne Meijles

    Neem een willekeurige website en kijk naar hoe je wordt aangesproken. Doe je het als IKEA? Dat was misschien wel de eerste die je met “je” aansprak. Veel ondernemers die teksten voor hun website schrijven, worstelen met de vraag:  Schrijf ik je of u op mijn website? Oftewel: tutoyeren of vousvoyeren?

     Kijk eens naar de onderstaande eerste zin van een website:

    “Komt u vaak lusteloos en moe uit uw werk en heeft u daarom ’s avonds geen puf meer om nog te gaan sporten of tijd aan uw hobby te besteden?”

    Voor wie zou deze tekst geschreven zijn? Wie spreek je aan? Als ik dit lees, denk ik aan mijn buurman bijvoorbeeld, die tegen zijn pensioen aanzit. Zouden ambitieuze dertigers zich ook aangesproken voelen? Waarschijnlijk niet.

     

    Het is dus heel belangrijk om goed voor ogen hebben wie je doelgroep is. Dan pas kun je je lezer aanspreken. Stel je voor dat je coaching aanbiedt aan dertigers met kleine kinderen die ook een leuke, maar ambitieuze baan hebben. Maar ze hebben moeite om de balans te vinden. Jij kunt ze daarbij helpen.

     

    Dan zou je bovenstaande zin ook als volgt kunnen formuleren:

    “Je hebt leuk werk. En je hebt leuke kinderen. Soms voelt dat als een spagaat: je wilt meer op je werk zijn, maar ook niet minder thuis.  Met als gevolg dat je het gevoel hebt continu achter de zaken aan te lopen. Je levert half werk, zowel op je werk als thuis.”

     

    Zie je wat er gebeurt door de nauwe definitie van je doelgroep? Het wordt superduidelijk wie je wilt aanspreken. Je praat als het ware met je doelgroep die boordevol potentiële klanten zit.

     

    Dit betekent overigens niet dat je je lezer daarom altijd maar klakkeloos met “je” moet aanspreken. Er zijn vast doelgroepen te bedenken die het prettig vinden om met “u” aangesproken te worden. Het gebruik van”u” als aanspreekvorm schept misschien afstand, maar het laat ook respect zien.

     

    Hoe kun je kiezen? Als je weet hoe je je klant aanspreekt als je met hem of haar praat. Aan de telefoon bijvoorbeeld of tijdens een evaluatiegesprek nadat je een opdracht hebt afgerond. Zeg je dan “je” of “u”? Op het internet is het niet veel anders.

    Op je website praat je met je potentiële klant. Alsof het je klant al is. Laat zien dat je er bent om een oplossing te bieden. Spreek daarbij je lezer aan alsof je met hem aan tafel zit. Dan weet je ook of je ‘je’ of ‘u’ moet gebruiken.

    (c) Suzanne Meijles

    Stoppen met je nieuwsbrief?

    Gepubliceerd door Suzanne Meijles

    Mijn vorige artikel ging over nieuwsbrieven en waarom deze (bijna) geen nieuws moeten bevatten. Ik kreeg veel reacties. Iemand vertelde me: ‘ik ken mensen die zich willen afmelden voor jouw nieuwsbrief, omdat je er ook reclame in maakt.

    Dat gebeurt inderdaad, dat mensen zich afmelden. Toch stop ik er niet mee. In dit artikel lees je waarom het soms goed is dat mensen zich afmelden (en waarom je toch niet moet stoppen met nieuwsbrieven versturen).

    In mijn vorige artikel schreef ik al dat nieuwsbrieven die waardevolle informatie bevatten, klanten kunnen opleveren. Met het geven van informatie over jouw vakgebied laat je zien wat je weet en kunt.

     

    Een nieuwsbrief maakt je zichtbaar. Je steekt je kop spreekwoordelijk boven het maaiveld. Dat heeft positieve effecten: meer potentiële klanten weten wat jij verkoopt. Dus kun je er meer klanten door krijgen.

    Maar er kleeft ook een nadeel aan het versturen van nieuwsbrieven en de mate waarin je zichtbaar wordt. Mensen gaan iets van je vinden. En sommige mensen zeggen of mailen ook wat ze van je vinden.

    Zo schreef ik eens een nieuwsbrief met een artikel over “Wat weerhoudt jou om artikelen te schrijven?”. Daarop kreeg ik een e-mail van iemand die zich via mijn website had aangemeld voor mijn nieuwsbrief. Hij schreef: “Wie denk jij wel dat je bent, dat je ervan uitgaat dat ik geen artikelen kan schrijven. Dat kan ik heel goed (…)”.

    Toen ik las “wie denk jij wel dat je bent…” deed dat wel iets met me. Een klein stemmetje in mijn hoofd zei “ja, inderdaad, wie denk jij inderdaad dat je bent?”.

    En daar draait het voor een groot deel om bij zichtbaar worden: het maakt je kwetsbaar. Het haalt je soms uit je comfortzone. Bij elke nieuwsbrief die ik verstuur, zijn er abonnees die zich afmelden. In het begin vond ik dat erg, het voelde als een afwijzing.

    Maar nu weet ik dat het niet erg is. Er zijn altijd mensen die zich afmelden. Nu kan ik tegen mezelf zeggen: “dat zijn abonnees voor wie mijn teksten nu niet nuttig zijn. Dat kan gewoon.” Ik meld me ook wel eens af, omdat mijn probleem zich heeft opgelost. Of omdat mijn hoofd er even niet naar staat.

    Ik verstuur nu bijna 3 jaar elke maand een nieuwsbrief. In het begin leverde me het niet zo veel op. Maar nu levert elk artikel een aantal opdrachten op. Mijn geheim? In een woord: consistentie.

    Elke maand begin ik een artikel over een onderwerp dat mij boeit. Ik kauw er even op en verstuur dan mijn artikel waarvan ik hoop dat ik mijn lezers inspireer of help. Ik plan het schrijven in, het staat in mijn agenda.

    Het gebrek aan consistentie is een valkuil die ik bij veel anderen zie. Als een nieuwsbrief niet direct klanten oplevert, kan dat je onzeker maken. Dus schrijf je minder en verstuur je minder vaak een nieuwsbrief. Totdat je uiteindelijk misschien niets meer durft te sturen, omdat het al zo lang geleden is dat je de laatste verstuurde.

    Dat is jammer, want je mist daarmee een kans. Je moet namelijk weten dat de meeste prospects pas na ongeveer 10 keer contact voldoende vertrouwen hebben opgebouwd om klant van je te worden.

    Heb je al lang geen nieuwsbrief meer verstuurd? En durf je bijna niet meer? Misschien helpt het je als je weet dat jouw lezers echt niet zo heel duidelijk voor ogen hebben wanneer jij iets hebt verstuurd.

    Zo vertelde een van mijn klanten laatst dat hij nog steeds mensen tegenkomt die tegen hem zeggen dat ze zijn nieuwsbrief lezen. Je moet weten dat hij de laatste nieuwsbrief 2,5 jaar geleden schreef.

    De moraal: schrijf artikelen over een onderwerp dat jou boeit en ga vooral dóór. Negeer negatieve reacties en geniet van de positieve berichten. Je schrijft tenslotte voor de mensen die wél enthousiast worden door wat jij schrijft.

     (c) Suzanne Meijles

    NIEUWSBRIEF

    Wil je mijn schrijftips in je inbox ontvangen? Meld je dan aan voor mijn e-zine. Lees hier meer informatie over e-zine.

    over mij

    Ik leer je hoe je door te schrijven de toonaangevende expert wordt in je vakgebied.

    image description